Welkom
Het boek
Voor wie?
Over de schrijver
Werkplaats
Nieuws
Weblog Gerard Besten
Interessante links
Bestellen
Werkplaats

22/12/2011

In het spoor van Hans Teeuwen
 
 
Het landschap van de Jeugdzorg verandert en daarmee ook de taal.
De komende transitie Jeugdzorg doet allerlei stofwolken opdwarrelen. In een brief aan de staatssecretaris benoemen de G4-wethouders van Jeugd en Onderwijs de belangrijkste problemen die de Jeugdzorg al te lang gijzelen: te grote bureaucratie en versnippering, te lange wachtlijsten en een te groot en steeds groeiend beroep op geformaliseerde zorg.
“Gijzelen” vind ik een woord dat blijkbaar past bij de hedendaagse Jeugdzorg. Gemeentes reppen over “frontlijn-werkers”. Ik las dat het aanbestedingscircus een “prijzenslag” tot gevolg zal hebben.
Gijzelen, frontlijn en prijzenslag doen vermoeden dat we opschuiven richting slagveld.
 
De transitie Jeugdzorg maakt deel uit van de overheveling van meerdere taken naar de gemeente: passend onderwijs, PGB’s, Wahjong, onderkant arbeidsmarkt (dossier Werk en Inkomen), delen van de AWBZ, provinciale Jeugdzorg etc.
In dat krachtenveld kiezen mensen en organisaties opnieuw positie. Waar kies je voor? Voor een ander takenpakket? Of geef ik de moed op? Is er nog ruimte voor het individu of wordt met het compensatiebeginsel de individuele ontwikkeling ingewisseld voor een collectieve verbanddoos?
 
Op de achterkant van de nieuwe DVD van Hans Teeuwen “Spiksplinter” staat een tekst die kan helpen:
 
“You have to choose the people you feel sorry for, the sick, poor, weak, or victims of war.
Because no matter how good you try to be, there is a limited supply of empathy.
The world’s too big, your heart’s too small, you can’t feel sorry for them all.
Sure you can try, if you think you should, but remember, feeling bad doesn’t make you good.”
                               Eugene Lurrie
 
Drie weken geleden kwam Ronald met zijn vrouw en zoon van 12 jaar op visite.
Ik had hem al een paar jaar niet meer gezien.
Ronald kwam eind jaren ’70 in een leefgroep wonen, waar ik groepsleider was. Hij was toen 11 jaar.
Toen hij 15 jaar was is hij met mij mee verhuisd naar een gezinsgroep. Toen hij 18 jaar werd ging hij p kamers wonen.
Ronald was een ontzettend druk mannetje; reageerde op iedere prikkel. E remedie was toen enerzijds kalmeren (een donkere en langzame stem doet soms wonderen), tot rust brengen en tegen zichzelf beschermen; anderzijds door voortdurend activeren met lichamelijke inspanning,( veel sporten, duurlopen, overlevingstochten).
Nu is hij midden veertig, geblokt, kale kop en een stevige grijns.
Ik vroeg hem naar zijn ervaringen in de Jeugdzorg.
“Ach weet je”, zei hij, “toen we in die gezinsgroep gingen wonen had ik constant dezelfde smoelen voor me. Dat scheelde een stuk.”
 
Succes in de Jeugdzorg is niet altijd ingewikkeld, maar veel meer een kwestie van lange adem.
 


22/12/2011
 
Vooruitzien; laat zien waar je (zelf) staat….
 
Aan het einde van het jaar maken we de balans op. Wat hadden we ons voorgenomen, hoe is het verlopen en welke lering trekken we daaruit? Wat nemen we ons voor?
Hoe gaan we om met de uitdaging die Transitie Jeugdzorg heet?
 
Roerige tijden vragen om een vooruitziende blik. Maar ja, wie heeft die?
 
Er zijn wel mensen die dat hadden; mensen die hun tijd ver vooruit waren. Jung was zo iemand.
Carl Gustav Jung is de grondlegger van de analytische psychologie.
Hij was zijn tijd ver vooruit en hij wist dat als kind al. Dat was meteen ook één van de zaken waar hij ongelukkig over was; hij wist dat hij (nog) niet begrepen werd.
Jung was als kind vrij eenzaam en introvert; een uitdrukking die hij zelf zou toevoegen aan de psychologie.
In zijn autobiografie “Herinneringen, dromen, gedachten”, blz. 119 maakt Jung een uitermate krachtig statement over het belang van het individuele begrijpen.
 
Theoretische veronderstellingen moeten heel voorzichtig toegepast worden. Vandaag zijn ze misschien geldig, morgen kunnen het andere zijn. In mijn analyses spelen ze geen rol. Zeer opzettelijk ben ik niet systematisch. Voor mij bestaat er ten opzichte van het individu alleen maar het individuele begrijpen. Voor elke patiënt heb je een andere taal nodig. Men kan mij in de ene analyse ook Adleriaans horen spreken of in een andere Freudiaans.
Het beslissende punt is dat ik als mens tegenover een ander mens sta. De analyse is een dialoog tussen twee partners. Analyticus en patiënt zitten tegenover elkaar – oog in oog. De arts heeft iets te vertellen, maar de patiënt ook.”
 
Vooruitkijkend naar de komende jaren, waarin de transitie Jeugdzorg zijn beslag zal krijgen, zal het steeds belangrijker worden het individu te blijven zien. Stelsels hebben de neiging te uniformeren terwijl de menselijke aard individueler wordt. Het compensatiebeginsel in de transitie Jeugdzorg riekt naar uniformeren, terwijl het in de Jeugdzorg van alledag (de zgn. werkvloer) gaat om het (h)erkennen van die ene unieke persoon.
 
De tijdsgeest appelleert aan een actieve interesse in die ene andere.
Professionals kunnen niet meer leunen op systemen of methodieken. Zij zullen hun vermogen moeten ontwikkelen om iedere jongere te nemen zoals hij is.
In de autobiografie van Jung valt zo mooi te lezen hoe hij de ander leerde kennen door eerst zichzelf te leren kennen. Opvoeden blijft daarmee een activiteit waar je in alle vezels en haarvaten uitgedaagd en betrokken wordt. Opvoeden is ook: zelf zichtbaar worden.
Vooruitziend: de komende tijd doet een groot appél op het effectief strijdend vermogen van iedere professional.
In gewoon Nederlands: “spreek je krachtig uit en laat zien waar je (zelf) staat.”
 
 
 
 
 


18/11/2011

Zorg voor Jeugd is kiezen
Kiezen is keuzes (durven) maken…….
 
 
Maandagavond 14 november was Gezinskring 't Huys, franchisenemer van Gezinshuis.com, op televisie.
In de documentaire BV Het Gezin [1] werden gezinshuisouders Frans en Miriam gevolgd in de dagelijkse bezigheden van hun gezinshuis. De omgang met de kinderen, het contact met biologische ouders, scholen, hulpverleners, gedrags- en opvoedingsdeskundigen.
De documentaire liet een mooi beeld zien van de samenhang tussen professie en gewoon leven. Ook een belangrijke factor is of je de juiste positie inneemt ten opzichte van biologische ouders. Miriam: “Ik word nooit hun moeder, maar ben wel hun opvoeder”.
 
Binnen de Jeugdzorg klinkt steeds vaker en nadrukkelijker dat managers minder bureaucratie moeten produceren en professionals meer ruimte moeten krijgen.
Onlangs las ik een artikel van Mirko Noordegraaf [2] in het tijdschrift Jeugdbeleid, waarin hij dat uiteenzette. [3]
Hij schetst een beeld van de Jeugdzorg, waarin de veranderingsdruk is doorgeslagen en daardoor contra-productieve effecten voortbrengt.
De veranderingen creëren een prestatie-paradox, zo is zijn opvatting. We proberen de prestaties binnen de Jeugdzorg te optimaliseren, maar het is de vraag of de prestaties juist mede daardoor niet worden aangetast.
 
De systemen en standaarden die worden geïntroduceerd om betere diensten te leveren, tasten de facto de kwaliteit aan. Dat is niet alleen een ervaringsbeleven, maar het is ook duidelijk zichtbaar in de managementliteratuur en het verzakelijken van publieke dienstverlening.
-          Er is een strijd gaande tussen ruimte voor professionals en verantwoordingsplicht binnen kwaliteitssystemen
-          Bij de transitie Jeugdzorg wordt optimale samenwerking tussen lokale partijen nagestreefd, maar ondertussen worden jeugdzorgaanbieders als marktpartijen tegen elkaar uitgespeeld
-          Er is een strijd gaande om de middelen. Dit kabinet snijdt bewust en fors in alle publieke voorzieningen. De managementinstrumenten worden gebruikt als afleiding, door de nadruk te leggen op evidenced based werken en kosten/baten analyses; alsof er iets te kiezen valt.
 
Daarnaast woekert de strijd om de professionaliteit.
Noordegraaf stelt ons daar drie vragen over:
-          Waar moeten jeugdzorgprofessionals en –instellingen naar streven? In mijn woorden: gaat het om behandelen of om opvoeden?
-          Hoe is het gesteld met de legitimiteit van de methodes? Hard of zacht? Evidenced based of op betekenis gebaseerd?
-          Hoe aan te tonen dat de inzet van professionals werkt? Waarneembare en minder waarneembare effecten? Op korte of lange termijn? Tevredenheidsonderzoeken of ‘hands on’, meer verhalend?
 
Duidelijk is, dat de optimale Jeugdzorg niet bestaat.
Dat maakt dat professionals en bestuurders moeten kiezen.
Het is op zich niet zo ingewikkeld, maar kiezen is keuzes durven maken.
 
De documentaire B.V. Het Gezin maakte beleefbaar dat de keuzes dichtbij de kinderen om wie het gaat gelegd moeten worden.
De documentaire liet zien dat het zelforganiserend vermogen van deze gezinshuisouders veel tijd en doorzettingsvermogen kost, maar ook veel rendement oplevert.
De documentaire maakte tevens inzichtelijk dat het thema ‘medicalisering van de Jeugdzorg’ (waar met de transitie van de Jeugdzorg een halt aan moet worden toegeroepen), omgezet kan worden door verbinding, betrouwbaarheid en professionaliteit.
 
Professionaliteit in de Jeugdzorg is aantoonbaar ambachtelijk werk en geen stukwerk.
In de praktijk worden de vragen die Noordergraaf stelt al beantwoord; dat wees deze documentaire aan.
De antwoorden: opvoeden, op betekenis gebaseerd en verhalend.
Door te durven kiezen voor de kwaliteit van het ambacht en de ambachtelijke professional.
 
Dat beeld werd meegegeven met deze documentaire……..
 


[1] NCRV Document maandag 14 november 2011
[2] Prof. Dr. Mirko Noordegraaf, hoogleraar Publiek Management Universiteit Utrecht
[3] Jeugdbeleid, Jaargang 5, nummer 3
 



21/09/2011


Prinsjesdag en de toekomst Jeugdzorg
 
Prinsjesdag is weer achter de rug; de Gouden Koets gestald en de Gelderse paarden weer in de vertrouwde wei.
Ik heb wat gemist met Prinsjesdag in de Troonrede: de Jeugdzorg.
Tot anderhalf jaar geleden hadden we nog een ministerie van Jeugd en Gezin en gisteren viel tijdens de Troonrede het woord ‘Jeugdzorg’ precies één keer; n.l. dat zij overgaat naar de gemeente. Ja, ‘time flies….’
 
Onderstaand een poging datgene te doen wat het Kabinet Rutte eigenlijk had moeten doen; schetsen hoe er geïnvesteerd gaat worden in de toekomst, n.l. in de Jeugdzorg.
 
In deze bespiegeling ga ik achtereenvolgens in op:
-       De actuele situatie in de Jeugdzorg
-       Jeugdzorg als investering in de toekomst
-       De 2.0 versie van de-institutionaliseren
 
Actueel
De actuele situatie in de Jeugdzorg wordt gemarkeerd (zo U wilt gedomineerd) door de doorlopende financiële nood van de overheden; nu nog de provincies en zometeen de gemeentes.
Met het oog op de lege bankrekeningen van deze publieke huishoudens, wordt de (residentiële) jeugdzorg steeds meer onder kostendruk gezet. De-institutionaliseren lijkt synoniem aan bezuinigen.
Publiekelijk worden, naast de relatief hoge kosten van de residentiële zorg (in vergelijking met ambulante- en pleegzorgprogramma’s), ook de noodzaak en effectiviteit ter discussie gesteld. Er zijn voorbeelden te over van negatieve presentaties van de residentiële jeugdzorg in de media.
 
De komende jaren gaat er veel veranderen in de Jeugdzorg. In het huidige stelsel wordt de Jeugdzorg provinciaal georganiseerd. In het nieuwe stelsel worden de gemeentes verantwoordelijk.
Er ligt een wetsvoorstel voor Wijziging van de Wet op de Jeugdzorg. Dit wetsvoorstel komt voort uit twee beleidsvoornemens die nauw met elkaar verbonden zijn, n.l.:
-       preventieve ondersteuning van jeugdigen en gezinnen en
-       samenwerking binnen de jeugdketen
 
Op grond van het wetsvoorstel krijgen gemeentes drie taken:
-       tot standbrengen Centra voor Jeugd en Gezin
-       zorgdragen voor niet-vrijblijvende afspraken tussen alle betrokken partijen en
-       bevoegdheid om in een individueel geval een instantie aan te wijzen die met de coördinatie wordt belast.
 
E.e.a. zal leiden tot een nieuwe jeugdzorgmarkt met een mengeling van publieke en private inbreng.
Deze context schept de noodzaak voor jeugdzorgaanbieders om de kwaliteit, effectiviteit en efficiency van hun maatregelen (zijnde vormen van verblijf en behandeling) te onderbouwen en openbaar te maken, teneinde de kosten- en legitimeringsdruk te kunnen overleven.
De huidige bejegening van de (residentiële) jeugdzorg is eenzijdig en financieel benauwd. Dat geldt overigens ook voor het domein van de pleegzorg.
Door de jeugdzorg eenzijdig als geldverslindend monster op het toneel te voeren, verdwijnt een andere sociale en economische realiteit uit het zicht; die van investering in de toekomst.
 
De-institutionaliseren is een ontworteld begrip geworden; los van de context.
Het gaat niet om het verplaatsen van de bakstenen van een instelling, maar om het aanbrengen van maatschappelijk perspectief in het leven van individuele kinderen.
 
De huidige benadering is te geldgericht; staat in de schijnwerpers van de bezuinigingsdruk.
Zorgaanbieders richten zich derhalve op kostenbesparingen, ketensamenwerking etc.
In afwachting van de uitrol van de decentralisatie van de Jeugdzorg is de focus vooral gericht op het eigen organisatiebelang.
Dat is jammer, want de-institutionaliseren zou veel meer vanuit het perspectief van de betreffende jongere gezien en ingericht moeten worden. Dat zou, op termijn, nog wel eens veel efficiënter kunnen blijken. Er zou onderzoek gedaan moeten worden naar wat het op lange termijn oplevert; zowel inhoudelijk in termen van continuiteit en veiligheid voor het individuele kind, maar ook bedrijfsmatig in termen van efficiency voor de samenleving.
Ik durf de stelling wel aan, dat er te verdienen valt door te investeren in goed burgerschap, in de vorm van duurzame Jeugdzorg.
 
Het hulpverleningsproces wordt nu veelal ingericht en gemeten langs de meetlat van de evidence based criteria. Daarmee heeft de Jeugdzorg een klinische benadering gekregen.
 
Dat is niet terecht, omdat de Jeugdzorg bij uitstek het terrein van de Res Publica is.
De echte waarde-creatie in de Jeugdzorg vindt plaats in de relatie zorgvrager – hulpverlener. Dat vraagt om een sociaal pedagogische benadering en - context. [1]
De organisatie is daarvoor de facilitator.
 
 
Investeren in de toekomst
Het inzicht dat tijdens deze verkenning groeide, was dat de mens en de opgroeiende jongere boven groepsgrenzen uit moet groeien en aldus bejegend worden. Dit zowel inhoudelijk als organisatorisch/bestuurlijk.
Groepsverbanden zijn vluchtiger geworden en hebben minder betekenis.
Bij de opbouw van de verzorgingsstaat is gestreefd naar het ontstaan van sociale instellingen; het belang van de enkeling kreeg invulling binnen / werd ondergeschikt gemaakt aan een collectief arrangement.
De verdere ontwikkeling leidt er evenwel toe, dat de enkeling zich uit de belangen van instellingen bevrijdt en tot een vrije ontplooiing van zijn behoeften en capaciteiten komt.
Anno 2011 is het beeld ontstaan van een samenleving met veel individualisme en individuen. Er verschijnen beschouwingen over het gevaar van een samenleving met eenlingen, n.a.v. de recente gebeurtenissen in Noorwegen.
 
In een recent rapport van de KNAW [2] wordt ingegaan op de paradox dat in Nederland, ondanks de vooraanstaande internationale positie op dat gebied, weinig gebruik gemaakt wordt van de laatste sociaal wetenschappelijke inzichten om een oplossing te vinden voor urgente maatschappelijke opgaven.
Als oorzaak wordt gewezen naar de complexiteit van betreffende systemen als geheel.
 
Gezocht wordt naar mogelijkheden om de veerkracht van systemen te waarborgen en naar (nieuwe vormen van) samenhang.
Daarmee is een behoefte ontstaan, n.l. aan bewust sociaal inzicht. Als individu (als bewuste en geëngageerde burger) moeten we een dieper sociaal inzicht ontwikkelen in de individuele mens / jongere. Het gaat om de ontwikkeling van praktische leefkunde; het vermogen om die ene jongere te leren begrijpen en wederkerigheid tot stand te brengen. De jongere benaderen als uniek wezen en niet als exemplaar van een soort.
In de toekomst moet die jongere in de Jeugdzorg geen consument zijn, maar deelnemer. Herman Wijffels [3] bepleit, ook in sociaal opzicht, het kringloop denken (wederkerigheid).
Ik meen te kunnen constateren dat dat inzicht nog niet (genoeg) is binnengedrongen in de Jeugdzorg en dat we dat in de praktijk moeten brengen. Binnen de Jeugdzorg spelen experts en gestolde kennis (protocollen/behandelprogramma’s) een (te) grote rol.
De toekomst van de Jeugdzorg ligt besloten in het inzicht dat het gaat om die enige (en niet één van een soort).
 
Die constatering leidde overigens tot het centrale begrip voor Gezinshuis.com, namelijk dat ieder kind/jongere recht heeft op een thuis. Overal klinken heilzame, maar van abstractie druipende, opvattingen, stellingen en methodische kaders. Maar het gaat, juist in de Jeugdzorg, veel meer om het concrete inzicht in de directe situatie. De betreffende jongere begrijpen, het vermogen hebben de jongere te nemen zoals hij is en het beste uit hem/haar naar boven halen. Met andere woorden: sensitiviteit en responsibiliteit. [4]
En juist daarin hebben gezinsvormen een aantoonbare meerwaarde boven andere residentiële vormen van opvang. Recente studies en verkenningen [5], wijzen ook nadrukkelijk in die richting.
 
Investeren in de toekomst heeft ook nog een andere kant, n.l. die van de efficiency.
Worden de financiële, personele en materiële middelen in de Jeugdzorg zodanig gebruikt, dat bij een gegeven hoeveelheid middelen een maximale output wordt verkregen of dat voor een hoeveelheid output van een gegeven kwaliteit een zo gering mogelijke input benodigd is.
Er zijn inmiddels de nodige effectiviteitsstudies verricht. Zie daartoe o.a. de website van het Nederlands Jeugd Instituut. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de kwaliteit en effectiviteit van programma’s in de Jeugdzorg.
 
Wat volgens mij nog niet voorhanden is, zijn efficiency studies die kunnen onderbouwen dat bepaalde vormen van residentiële zorg, sociaal en economisch toekomstinvesteringen in “Human Capital” zijn; investeringen die zich in de toekomst door lagere vervolgkosten en hogere maatschappelijke productie/bijdrage zullen uitbetalen.
Ik ben ervan overtuigd dat het zich loont om gericht meer te investeren op zo jong mogelijke leeftijd. Het aantal cliënten met een jeugdzorgverleden in de TBS klinieken, in gevangenissen, in de maatschappelijke opvang of werkeloosheid is erg groot.
 
Effectiviteitsonderzoeken kunnen onderbouwen dat bepaalde programma’s de gestelde doelen overeenkomstig bepaalde kwaliteitscriteria uitvoeren.
Ze kunnen echter niet aantonen of deze programma’s in een economisch verdedigbaar kader uitgevoerd worden. Ze geven daarmee geen antwoord op de toenemende kosten- en legitimeringsdruk.
 
Herman Wijffels: “Alleen Sociale Innovatie brengt bedrijven écht verder. Alles draait om het maximaal benutten van mogelijkheden van mensen in organisaties" [6]
Maximaal benutten van mogelijkheden van mensen betekent voor de Jeugdzorg een maximale inspanning om de talenten en mogelijkheden van kinderen tot wasdom te laten komen.
Wijffels bepleit daarom ook de overgang van verzorgings- naar ontwikkelingsgericht.
 
Gelukkig……
Gelukkig zijn er ontwikkelingen en intiatieven in deze richting.
Jeugdzorg 2.0, de Eigen Kracht benadering en de Alliantie KindinGezin zijn voorbeelden van initiatieven die bovenstaande belofte in zich dragen.
 
 
De-institutionaliseren 2.0
Zoals eerder gememoreerd is de huidige bejegening van de (residentiële) jeugdzorg te eenzijdig en financieel benauwd. Door de (residentiële) jeugdzorg eenzijdig als geldverslindend monster op het toneel te voeren, verdwijnt een andere sociale en economische realiteit uit het zicht; die van investering in de toekomst.
De-institutionaliseren 2.0 gaat uit van het perspectief van de enige (en niet één van de soort). Het gaat niet om een getalsmatige naar-beneden-stelling van het aantal kinderen en jongeren binnen instellingen, niet om het verslepen van bakstenen van instellingsterreinen,  maar om de kwalitatieve verbetering van de leefomstandigheden van de individuele jongere. Het gaat om een ontwikkelingsgerichte benadering van dat kind / die jongere.
Reeds in de jaren 70 verschenen publicaties [7]  waarin de voordelen van kleinschalige hulpverleningsvormen voor de jeugdige naar voren gebracht werd.
De meer individuele benadering, minder hospitalisering, grotere deelname aan het maatschappelijk leven, minder stigmatisering, erbij horen, minder agressie en orde problemen en het kunnen opdoen van gezinservaringen. Jo Hermanns haalt in ‘Goed geregelde jeugdzorg?’ [8] wetenschappelijke kritiek op instituutsbehandeling aan, die genoemde voordelen lijken te bevestigen.
 
In de Jeugdzorg gaat het in de toekomst derhalve om het faciliteren van:
-       de opvoedingsrelatie, echte verbindingen met deze kinderen en jongeren
-       een normale en duurzame leefomgeving (duurzame relaties)
-       maatschappelijke participatie
-       kleinschaligheid
-       bij uithuisplaatsing, leven met twee families
-       ontwikkeling van sensitiviteit en responsiviteit.
 
Om dat mogelijk te maken, om dat te faciliteren, zouden gemeentes ontwikkelingsbeurzen beschikbaar moeten stellen aan de Jeugdzorg.
Ontwikkelingsbeurzen gekoppeld aan portfolio’s die in de plaats komen van hulpverleningsplannen.
Zou ik dit namens Mark Rutte mogen schrijven?
 
Gerard Besten
Gezinshuis.com


[1] Zie o.a. ‘Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding’, Micha de Winter
[2] “Kwetsbaarheid en veerkracht van maatschappelijke systemen”, Koninklijke Nederlandse Academie van Wetenschappen; April 2011
[3] Herman Wijffels: nr 1 op de Duurzame 100 lijst.
[4] ‘First do no harm’; Peer van der Helm (2011)
[5] Ilona Meuwissen: ‘Een landelijke sectorverkenning’ Masterthesis juni 2011
[6] Herman Wijffels over Sociale Innovatie 2010.
[7] Burgerweeshuis, Jeugddorp de Glind en stichting Op kleine schaal
[8] Hermanns, J. (2010). Goed geregelde jeugdzorg?

20/08/2011

We lift them up, heal their wounds and put them on the path to a brighter future.
 
“Wat doen we?”
 
“We lift them up, heal their wounds and put them on the path to a brighter future.”
 
(“We tillen ze op, genezen hun wonden en zetten ze op de weg naar een betere toekomst.”)
 
BoysTown is één van de bekendste en oudste jeugdzorgorganisaties in Amerika. Door de loop der jaren heen heeft BoysTown een pakket aan dienstverlening ontwikkeld gebaseerd op het Boys Town Model.
Dat Boys Town Model bestaat uit vijf elementen, n.l.:
 
-       Kinderen en gezinnen nieuw, levens-veranderende vaardigheden aanleren
-       Kinderen en gezinnen helpen gezonde relaties te bouwen
-       Kinderen en gezinnen versterken om zelf goede beslissingen te nemen
-       Zorg voor kinderen in een familie-achtige omgeving
-       Ondersteunen van kinderen en gezinnen in religieuze praktijken en waarden
 
“We lift them up, heal their wounds and put them on the path to a brighter future.”
 
De transitie van de Jeugdzorg vergt veel van de verbeeldingskracht van gemeentes.
Zoals op de website van de VNG te lezen valt wordt recht op zorg vervangen door recht op opvoeding. Er klinken begrippen als: participatie, pedagogische civil society en publieke familiariteit.
We lijken wat onmachtig om die grote begrippen concreet in te vullen.
 
Gelukkig hoeft het wiel niet geheel opnieuw uitgevonden te worden.
Door onze grenzen te verleggen komen bewezen praktijken in zicht.
 
Bovengenoemde uitgangspunten zijn uitgewerkt in een geïntegreerd continuum van zorg, waarmee men jaarlijks 31.000 kinderen en gezinnen concrete zorg biedt.
 
Waar met name lering uit getrokken kan worden is de sturingsfilosofie:
“Eenvoudig gesteld; dit continuum voorziet in de juiste aanpak, op het juiste moment, op de juiste wijze en in de juiste hoeveelheid tijd.”
 
Het continuum wordt gepresenteerd als een alternatief voor het gefragmenteerde en overbelaste systeem van de overheids kinder-en gezinszorg.

De website van Boys Town geeft inzicht in de wijze waarop dit georganiseerd is.



04/08/2011

Opbouwen van een netwerk

In contacten met zorgaanbieders, gezinshuisouders en belangstellenden proclameren we vaak het belang van goede netwerken rond gezinshuizen.
We activeren gezinshuisouders bewust en krachtig te investeren in hun netwerk.
Achterliggende gedachte is, dat uithuisgeplaatste kinderen en jongeren actief deel uitmaken van het gewone leven.
In Nederland zijn zo’n 43.000 kinderen en jongeren uithuisgeplaatst. 23.000 daarvan wonen in een pleeggezin; 20.000 binnen instellingen. Het betreffen veelal kinderen die vanwege verwaarlozing, trauma’s, uit de hand gelopen scheidingen e.d. niet meer thuis kunnen wonen. Kinderen en jongeren die wantrouwend zijn geworden.
Juist voor die laatste groep kinderen en jongeren is het ontzetten belangrijk dat ze langdurend kunnen participeren binnen en leren van samenhangende groepen mensen. Van mensen die bewust ergens bij horen en daar iets voor over hebben. Binnen de residentiële opvang in instellingen komt daar over het algemeen niet veel van terecht.
 
Ruim vijftig jaar na de paviljoenverpleging, ging het Burgerweeshuis in 1971 weer werken met gezinshuizen, met ondersteuning gericht op het hele systeem: de jongeren, de gezinshuisouders en hun kinderen en de ouders. Ook in het Jeugddorp de Glind werd voortvarend gewerkt aan de verdere ontwikkeling van opvang en opvoeding in gezinshuizen.
In publicaties uit die tijd kwamen de voordelen van kleinschalige hulpverleningsvormen voor de jeugdige naar voren. De meer individuele benadering, minder hospitalisering, grotere deelname aan het maatschappelijk leven, minder stigmatisering, minder agressie en orde problemen en het kunnen opdoen van gezinservaringen. Jo Hermanns haalt in ‘Goed geregelde jeugdzorg?’ [1] wetenschappelijke kritiek op instituutsbehandeling aan, die genoemde voordelen lijken te bevestigen:
1. Altijd geldt dat het aangaan van een opvoedingsrelatie in een tehuis moeilijk is, omdat het doorgaans gaat om meerdere professionele opvoeders, die in roosterdiensten contact hebben met het kind.
2.In situaties waarin meerdere kinderen met moeilijk gedrag samenleven treedt vaak deviancy training op: het overnemen van ongewenst antisociaal gedrag van elkaar (Dodge, et al., 2006). De negatieve effecten van deviancy training overstijgen vaak de positieve effecten van interventies.
3. Verblijf in een tehuis doorbreekt het maatschappelijk participatieproces, met name als het gaat om onderwijs, zelfs al wordt er regulier onderwijs in of naast de voorziening gegeven.
 
De laatste tijd popt met enige regelmaat het begrip ‘Publieke familiariteit’ [2] op in beschouwingen over het ontbreken van binding in de samenleving.
Ook in artikelen en studies over de Jeugdzorg wordt dit begrip aangehaald en verkend.
Micha de Winter [3] stelt: “Een tekort aan sociale binding is een risicofactor voor verwaarlozing en kindermishandeling. Publieke familiariteit is de remedie tegen anonimiteit en isolement. Als mensen elkaar in de dagelijkse leefomgeving herhaaldelijk ontmoeten dan leidt dat tot herkenning en minder anonimiteit. In de huidige tijd zijn er steeds minder mogelijkheden voor de herhaalde ontmoeting. Meer ontmoeting en verbinding helpen aan de versterking van de pedagogische infrastructuur.”
 
Uithuisgeplaatste kinderen hebben het nodig te leven binnen en leren van een groep mensen die samenhang nastreven en daarbinnen van betekenis willen zijn. Daarbinnen kunnen zij langzaam weer iets van vertrouwen opbouwen en mensen ontmoeten die ook op langere termijn iets voor hen willen betekenen.
 
Gerard Besten, Gezinshuis.com


[1] Jo Hermanns: Goed geregelde jeugdzorg? 2010.
[2] RMO: Niet langer met de ruggen naar elkaar.
[3] Micha de Winter: Verbeter de wereld, begin bij de opvoeding.



07/07/2011

Praktische Jeugdzorg deel drie:
Efficiëncy in de  jeugdzorg?
 
Praktische Jeugdzorg is een krachtige, contextgerichte benadering van de Jeugdzorg. Het daagt jeugdzorgwerkers uit om de jeugdzorgvragen van alledag beter te begrijpen en zelf aan te pakken. In dit geval: Hoe zit het met de kosten van de Jeugdzorg?
 
De actuele situatie in de Jeugdzorg wordt gemarkeerd (zo U wilt gedomineerd) door de doorlopende financiële nood van de overheden; nu nog de provincies en zometeen de gemeentes.
Met het oog op de lege bankrekeningen van deze publieke huishoudens, wordt de (residentiële) jeugdzorg steeds meer onder kostendruk gezet.
Publiekelijk worden, naast de relatief hoge kosten van de residentiële zorg (in vergelijking met ambulante- en pleegzorgprogramma’s), ook de noodzaak en effectiviteit ter discussie gesteld. Er zijn voorbeelden te over van negatieve presentaties van de residentiële jeugdzorg in de media.
 
Deze context schept de noodzaak voor jeugdzorgaanbieders om de kwaliteit, effectiviteit en efficiency van hun maatregelen (zijnde vormen van verblijf en behandeling) te onderbouwen en openbaar te maken, teneinde de kosten- en legitimeringsdruk te kunnen overleven.
De huidige bejegening van de (residentiële) jeugdzorg is immers veel te eenzijdig en financieel benauwd. Door de (residentiële) jeugdzorg eenzijdig als geldverslindend monster op het toneel te voeren, verdwijnt een andere sociale en economische realiteit uit het zicht; die van investering in de toekomst.
 
Er zijn inmiddels wel de nodige effectiviteitsstudies verricht. Zie daartoe o.a. de website van het Nederlands Jeugd Instituut. Er zijn verschillende onderzoeken gedaan naar de kwaliteit en effectiviteit van programma’s in de Jeugdzorg.
 
Wat volgens mij nog niet voorhanden is, zijn efficiency studies die kunnen onderbouwen dat bepaalde vormen van residentiële zorg, sociaal en economisch toekomstinvesteringen in “Human Capital” zijn; investeringen die zich in de toekomst door lagere vervolgkosten en hogere maatschappelijke productie/bijdrage zullen uitbetalen.
Ik ben ervan overtuigd dat het zich loont om gericht meer te investeren op zo jong mogelijke leeftijd. Het aantal cliënten met een jeugdzorgverleden in de TBS klinieken, in gevangenissen, in de maatschappelijke opvang of werkeloosheid is erg groot.
 
Effectiviteitsonderzoeken kunnen onderbouwen dat bepaalde programma’s de gestelde doelen overeenkomstig bepaalde kwaliteitscriteria uitvoeren.
Ze kunnen echter niet aantonen of deze programma’s in een economisch verdedigbaar kader uitgevoerd worden. Ze geven daarmee geen antwoord op de toenemende kosten- en legitimeringsdruk.
 
In Duitsland heeft men de handschoen opgepakt. Er zijn eerste resultaten van efficiency onderzoeken bekend.[1]
De gebruikte gegevensbank is nog te smal om van een representatief onderzoek te kunnen spreken, maar toch………
Onderzocht zijn thema’s als opleiding, beroepsopleiding, arbeidsvaardigheden en – prestaties, productiviteit, werkeloosheid en sociale zekerheid.
 
Een residentiële uithuisplaatsing kost in Duitsland gemiddeld € 120.317 volgens dit onderzoek.
Effectbijdrage bij mannen op het gebied van gezondheid € 24.040, op het gebied van werkeloosheid € 30.698, op het gebied van delinquentie € 12.280 en op het gebied van werk € 288.119.
Een baten-kosten relatie van 1.953, wat betekent dat iedere ingezette euro binnen het residentiële verblijf, zich in de verdere levensloop macro economisch gezien met € 2,95 uitbetaald.
 
De baten-kosten analyse valt volgens genoemd onderzoek voor vrouwen nog iets gunstiger uit………
 
Als we dit onderzoek vertalen naar de Nederlandse context, lijkt het praktischer om het zo-zo-zo beleid bij te stellen. Niet zo kort, zo licht en dichtbij mogelijk, maar een beleid gericht op het vroegtijdig investeren in de levensloop van deze jongeren.
Wellicht kan een eigen efficiency onderzoek daartoe dienstig zijn.
 
Gerard Besten
Directeur Gezinshuis.com
 
 


[1] Kosten-Nutzen-Analyse; Klaus Roos Jugenddorf Klinge.


14/06/2011

Praktische Jeugdzorg (Deel 2, vakmanschap).
 
We kunnen met recht stellen dat er sprake is van een maatschappelijke transformatie.
Het kabinet Rutte, Verhagen en Wilders heeft de samenleving in de tang met een opschoningsactie die met een strakke planning uitgevoerd wordt.
Na Passend onderwijs, Wajong, Werk en Inkomen waren de achterliggende dagen de zorgkosten, waaronder de korting op de huisartsen en de PGB’s aan de orde.
En ook hier deed de transformatiemachine keurig zijn werk.
Voorbeschouwingen, een paar weggevertjes vooraf, een zakelijke presentatie van de plannen, een paar stevige debatten bij de bekende tv-programma’s, nog wat achteraf verontwaardiging van direct betrokkenen en verder trok de Transformatie Machine.
 
Binnenkort is de Jeugdzorg aan de beurt.
Analoog aan de beleidsbrief Langdurende Zorg zal ook hier de teneur zijn:
Lokaler, gewoner, minder en alleen voor degene de het echt nodig heeft.
Dat laatste heb ik inmiddels zo vaak gehoord dat er enige sleet is ontstaan in mijn geloof terzake.
Bij deze transformatie hoort dat het beroepsveld zelf de teugels in handen neemt.
Niet omdat dit kabinet dat zo graag wil, maar omdat zij verantwoordelijkheden laat liggen die zij eerder naar zich heeft toegetrokken. En dan doel ik met name op de meest  kwetsbare jongeren; de jongeren in de residentiële zorg.
In al haar uitingen, zowel qua visie als inzet van regelingen (zoals de trajectfinanciering) worden deze jongeren in de gedoogzone geparkeerd. Een zone die ‘eigenlijk niet mag’; een zone ‘die we eigenlijk niet moeten willen’.
Bij een opschoningsactie ontstaat ook weer nieuwe ruimte. Ruimte om in uitingen en regelingen ervaarbaar te maken dat deze jongeren er ook mogen zijn……..
 
In de laatste BMC Nieuwsfits las ik een interessante overdenking terzake van Kim Putters.
Kim Putters is bestuurskundige en politicus.
Terwijl het verzet tegen het bestuursakkoord groeit, dreigen de noodzakelijke verbeteringen in de jeugdzorg te stagneren. We moeten nú in de gezinnen, hulpverleners en behandelmethoden investeren, los van welke stelselhervorming dan ook.”
 
Anders dan Putters, die de verbeteringen ziet in kennis:
-       Bestaande kennis beter benutten (opschonen van kennis)
-       Niet verwijzen, maar hulp erbij halen
-       Hiaten opzoeken in kennis
-       Kennisstructuur (toegankelijkheid van kennis)
 
zie ik de grootste kansen liggen in Praktische Jeugdzorg.
Praktische Jeugdzorg is een krachtige, contextgerichte benadering van de Jeugdzorg.
Eén van de basisbouwstenen is duurzaamheid. In de kern gaat het erom zorgvuldiger gebruik te maken van beschikbare potenties; potenties van mensen en van natuurlijke hulpbronnen. Het gaat om de erkenning van vakmanschap en ruimte geven aan mensen die wel de verantwoordelijkheid aan het eind van de keten willen invullen door er echt voor te gaan staan.
 
We moeten, ook in de Jeugdzorg, een einde maken aan overbelasting en onderbenutting.
Overbelasting slaat op de enorme bureaucratisering in toezicht en controle.
Onderbenutting op het onbenut laten van de talenten en mogelijkheden van medewerkers en vrijwilligers. We schrijven voor, terwijl we ook de vakman in de medewerker kunnen volgen.
 
Er zijn inmiddels praktijken die het vakmanschap ondersteunen en faciliteren
De formule Gezinshuis.com is er één van. We hebben met de zorgaanbieders met wie we samenwerken, onze praktijk geëvalueerd. Die was goed.
-       Goede kwaliteit van zorg,
-       transparant en
-       een hoge mate van zelforganisatie.
Die ingrediënten werden hoog gewaardeerd.
Ik zie meer praktijken die zich op basis van vakmanschap ontwikkelen, ook aan het eind van de keten.
De opschoningsactie van de overheid verdient een kwaliteitsantwoord uit het beroepsveld.
Mijns insziens moet dat gaan over vakmanschap en verantwoordelijkheid nemen.
Betrokken, professioneel, ondernemend en duurzaam.
 
  



20/04/2011

Praktische Jeugdzorg
 
De RMO (Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling) stuurde 14 april j.l. een briefadvies aan staatssecretaris Veldhuijzen van Zanten (VWS).
De Raad ziet het als een kans dat gemeenten een belangrijke rol krijgen. De Jeugdzorg moet meer “genormaliseerd” worden, is de achterliggende boodschap, en de gemeente is het bestuursorgaan om dat voor elkaar te krijgen.
De grote valkuil van de stelselherziening is dat instellingen en organisaties vooral vanuit hun eigen institutionele belangen redeneren. “De gulzige zorgverlening wordt dan slechts naar een ander schaalniveau verplaatst”, vreest de RMO.
Een belangrijke aanbeveling van de RMO is dat de Centra voor Jeugd en Gezin niet zelf de hulpvragen op zich nemen. Zij moeten organisaties rondom gezinnen (school, opvang, sportvereniging) faciliteren en samenbrengen. Zo kunnen gewone opvoedproblemen binnen de sociale netwerken worden opgelost.
 
De RMO beschrijft drie adviezen:
-       Dagelijkse opvoedvragen ontzorgen en normaliseren
-       Van een beleid gericht op individuele interventies naar beleid gericht op versterking van de sociale omgeving en netwerken van gezinnen
-       De beste en meest ervaren professionals in de uitvoering
 
De adviezen zijn in de kern goed, maar nog te abstract.
Ik wil er graag een vierde advies aan toevoegen, die het advies van de RMO werkbaar gaat maken: “Schep ruimte voor Praktische Jeugdzorg”.
 
Praktische Jeugdzorg is een krachtige, contextgerichte benadering van de Jeugdzorg. Het daagt jeugdzorgwerkers uit om de jeugdzorgvragen van alledag beter te begrijpen en zelf aan te pakken.
En daar zit ‘m nu precies de crux!
 
Eén van de basisbouwstenen voor een beetje simpel en menswaardig organiseren is dat taak, verantwoordelijkheid en bevoegdheid bij elkaar passen in een functie. Als je iets moet doen, wil je er ook verantwoordelijk voor zijn en moet je er ook de tijd, het geld en de spullen voor kunnen regelen. In feite is dat de werkelijke betekenis van integraal: taak, verantwoordelijkheid en bevoegdheid sluiten bij elkaar aan. En dat lijkt zó evident dat we het er nooit over hebben. Toch is het in de werkelijkheid maar zelden ook zo georganiseerd.
 
“Financiële prikkels moeten goede hulpverleners in de jeugdzorg aansporen om op de werkvloer te blijven in plaats van door te schuiven naar hogere functies.” Dat schrijft de Raad voor Maatschappelijke Ontwikkeling in eerdergenoemde briefadvies aan de staatssecretaris.
Gemeentes zouden er goed aan doen, meer dan alleen maar financiële ruimte te scheppen voor die goede hulpverleners. Het niet integraal organiseren kost tijd, regie, bureaucratie, management en levert onduidelijke posities op.
 
De zorg (ook de Jeugdzorg) wordt veelal nog georganiseerd vanuit oude managementprincipes.
Wanneer je goed kijkt naar de Jeugdzorg, zie je vaak nog het gedachtegoed van Taylor terug.
Frederick  Taylor (Philadelphia , 20 maart 1856 - 21 maart 1915) was een Amerikaans werktuigbouwkundig ingenieur die bijdroeg aan de theorie van de werkplaatsorganisatie die als “scientific management” (ook wel Taylorisme genoemd) bekend zou worden.
Taylor wou met zijn theorieën een mentale revolutie bewerkstelligen op het gebied van beheersing van processen. Het huidige belang van zijn gedachten is nu nog te vinden in standaardisatie en efficiency.
 
Taylor was dus de grondlegger van de scientific management-gedachte. Als één van de oorzaken van het inefficiënt werken van ondernemingen zag hij de natuurlijke luiheid van de werknemer. De werknemer zou werken naar de beloning die men voor het gedane werk zou krijgen. Dat werknemers niet het maximale rendement uit hun mogelijkheden halen, komt voor een groot deel doordat er geen feitelijke controle is op de arbeidsprestaties van de werknemers. Taylor wilde dit verbeteren door het productieproces bijna geheel uiteen te rafelen en een vergaande rationalisering door te voeren in het productieproces. Er moest voor elke werknemer een soort van programma van opeenvolgende handelingen gemaakt worden. Op die manier ontstaat een soort van specialisme, dat afgestemd is op de kennis en vaardigheden per werknemer.
 
Zo is ook de keten van de Jeugdzorg georganiseerd.
 
Dit opknippen, coördineren en controleren, heeft gezorgd voor een te overheersende managementcultuur binnen de Jeugdzorg.
Praktische Jeugdzorg moet opgebouwd worden vanuit duurzame managementprincipes als intrinsieke motivatie, zelforganisatie, samenhang verzorgen, integreren en 2.0.
Niet alleen financiële prikkels, maar passie en vakmanschap bundelen in integrale verantwoordelijkheid.
Reken maar dat deze principes, die horen bij het leven van alledag, zullen zorgen voor een meer “normale” Jeugdzorg.

07/04/2011 Zijn gezinshuizen goedkoper dan……….
 Het achterliggende jaar zijn we overspoeld met berichten over financiële-, economische- en andersoortige crisis. “We” moeten allemaal een stapje terug doen.
Er wordt ook kritischer gekeken naar de kosten van de zorg. Er wordt heel kritisch gekeken naar de kosten van de residentiële zorg.
Ik krijg met regelmaat de vraag of gezinshuizen goedkoper zijn dan leef- en behandelgroepen. Daar kan ik volmondig ‘ja’, op antwoorden.
Binnen gezinshuizen maken we gebruik van een natuurlijk systeem. Binnen leefgroepen moet het systeem ‘georganiseerd’ worden; een team in wisseldiensten, overdrachtsmomenten, management etc.
We gaan het ook aantonen. Tijdens de startbijeenkomst van de alliantie ‘Kindingezin’, werd de vraag gesteld of er ook kostprijsberekeningen zijn. We hebben inmiddels een eerste model gereed en zijn die nog aan het verfijnen.


04/10/10 Ondernemerschap
Hoe kun je ervoor zorgen, dat daar waar residentiële zorg noodzakelijk is, er sprake is van betrokkenheid, professionaliteit en ondernemerschap?

Anders dan andere vormen van residentiële jeugdzorg, zoals leef- en behandelgroepen, zijn gezinshuizen als organisatieconcept moeilijk van buitenaf te organiseren. Binnen leef- en behandelgroepen, wordt in teamverband inhoud gegeven aan de opvoeding en zorg.
In roulerend roosterverband, met duidelijk onderscheiden taak- en functieprofielen, ondersteund door protocollen kan kwaliteit alleen gegenereerd worden door een heldere organisatie aansturing.
Binnen gezinshuizen heerst een andere besturingsfilosofie; n.l. van binnenuit.

Gezinshuizen zijn een verbijzondering en verdieping van het alledaagse gezinsleven.
Het meest natuurlijke organisatieprincipe wat daar bijhoort is zelfsturing.
Binnen de context van de residentiële jeugdzorg, daar waar gezorgd wordt voor kinderen en jongeren met forse problemen, kan dat alleen wanneer er sprake is van een transparant en efficiënt besturingskader.

Binnen Gezinshuis.com hebben we dat uitgewerkt in een franchise concept.
Gezinshuisouders zijn zelfstandig ondernemer binnen een franchise. Onder4nemerschap betekent voor ons "waarde toevoegen".

Kenmerkend is, dat wij binnen gezinshuizen de focus van het ondernemerschap richten op drie gebieden:
* primair proces: opvoeden
* Netwerkontwikkeling
* Financieel en voorwaardelijk



05/10/10 Ondernemerschap in het primaire proces
Het primaire proces van gezinshuizen is opvoeden.
Gebruik makend van de kracht van het gewone leven, wordt gezocht naar de ontwikkelingsmogelijkheden van alle gezinshuisleden.
Daarbij zijn twee aandachtsgebieden belangrijk:
* het hulpverleningsplan (HVP)
* de stakeholders


Het hulpverleningsplan:
Het hulpverleningsplan is het belangrijkste instrument binnen het hulpverleningsproces. e zorgaanbieder is verantwoordelijk voor een HVP wat voldoet aan de eisen van de subsidiegever.
In het HVP staan de gezamenlijke doelen en aanpak verwoordt.
Wij beschouwen het HVP als het gezamenlijk werkplan. Daarom activeren wij onze ouders tot een betrokken en sbstantiële bijdrage in het HVP. Van onze gezinshuisouders mag verwacht worden dat zij, vanuit een empirische benadering, bijdragen aan het gezamenlijke opvoedingsdoel. Daarnaast willen gezinshuisouders actief samenwerken met alle betrokkenen in de geet van het HVP.

Stakeholders:
Wij onderscheiden een drietal stakeholders met wie gezinshuisouders intensief samenweken, n.l.:
* de ouders (het primaire milieu)
* de (gezins-)voogd (als representant van de wettelijke bevoegdheid)
* de B.C-er (als representant van de zorgaanbieder)


De ouders:
De ouders zijn de meest belangrijke mensen voor de gezinshuiskinderen.
Gezinshuisouders proberen 'op maat' samen te werken met de ouders.
--> Actie: erbij betrekken

De gezinsvoogd:
Samenwerken met de (gezins-)voogd krijgt inhoud door:
--> Actie: informeren

De B.C.-er:
Samenwerken met de B.C.-er krijgt inhoud door:
--> Actie: afstemmen

Daarmee wordt ondernemerschap in een gezinshuis concreet uitvoerbaar en toetsbaar.